49
oneigenlijke belastingbesparende structuren met kortdurende verhuur en daarmee
tot een ongelijk speelveld tussen ondernemers met vastgoed. Die
belastingbesparende structuur met kortdurende verhuur werkt, kort samengevat,
als volgt: een ondernemer verbouwt een pand tot woningen met de bedoeling om
de woningen als zodanig te (gaan) verhuren. Deze verhuur is vrijgesteld van btw.
Die voorgenomen btw-vrijgestelde verhuur heeft tot gevolg dat de ondernemer
geen recht op vooraftrek heeft van de btw die over de verbouwingskosten wordt
berekend. Daarom kiezen ondernemers er ook wel voor om de woningen in het
pand eerst (direct na de verbouwing) kortstondig btw-belast te verhuren. Deze
btw-belaste verhuur geeft alsdan het recht om de btw op de verbouwingskosten
volledig af te trekken. Als een ondernemer vervolgens in het volgende jaar
overgaat tot btw-vrijgestelde verhuur van de woningen, kan (momenteel) geen
herziening van deze aftrek plaatsvinden, zodat er (onbedoeld) geen btw drukt op
de verbouwing. Omdat niet iedere ondernemer van deze btw-structuur gebruik kan
of wil maken ontstaat in de praktijk tussen die ondernemers een ongelijk speelveld.
Het creëren van een gelijker speelveld tussen ondernemers met vastgoed en, meer
algemeen, de btw-aftrek op investeringsdiensten aan laten sluiten bij het meerjarig
gebruik van de dienst, vormt dan ook het doel van deze maatregel. Naar de mening
van het kabinet is gelet op het voorgaande de maatregel noodzakelijk.
Deze maatregel heeft echter ook onmiskenbaar gevolgen voor de administratieve
lasten voor ondernemers. Het kabinet heeft gekozen voor deze maatregel en
daarbij steeds rekening gehouden met de gevolgen daarvan voor ondernemers. Dat
blijkt uit de vormgeving van de maatregel en de keuzes die daarbinnen zijn
gemaakt om de aanvullende administratieve lasten te beperken. Alternatieve
beleidsopties zijn overwogen, maar niet effectief bevonden, om de geschetste
doelstellingen te bereiken. Zo is bezien om de kortdurende verhuur van woningen
(als uitzondering op de btw-vrijgestelde verhuur) te beperken tot een maximale
termijn, een zogenoemde nachtentermijn. Wanneer het aantal aaneengesloten
overnachtingen de nachtentermijn overschrijdt, wordt in die situatie de verhuur
wettelijk niet langer als kortdurend (en dus niet langer als btw-belast) beschouwd.
Deze maatregel is echter minder doeltreffend en doelmatig dan het huidige
voorstel. Het instellen van een nachtentermijn zou de te bestrijden structuur
namelijk onvoldoende tegengaan. Het blijft dan mogelijk (zij het in een korter,
maar nog steeds stuurbaar, tijdsbestek) om kortdurende, btw-belaste verhuur van
woningen toe te passen zonder mogelijkheid om de in aftrek gebrachte btw te
herzien indien alsnog wordt overgegaan tot van btw-vrijgestelde verhuur. Hierdoor
zou de maatregel te beperkt doeltreffend zijn.
Daarnaast zijn een aantal administratieve tegemoetkomingen opgenomen in de
maatregel. Zo betekent het drempelbedrag van 30.000 euro dat veel ingekochte
diensten buiten de regeling blijven. Ook is voorzien in een relatief korte
herzieningstermijn van 5 jaren. Op grond van de jurisprudentie was een langere
herzieningstermijn mogelijk geweest, maar hier kiest het kabinet niet voor om de
administratieve lasten te beperken (zie ook de volgende vraag). Het is ook